Kortverhaal geschreven als opdracht met deze richtlijnen :

- maximaal 5 pagina's

- een ontmoeting tussen twee historische figuren er in verwerkt

Een nacht met Gaudì

 

“Stop met giechelen of ga naar huis”. Berre was duidelijk.

Stom dat hij hen nodig had, anders konden ze nu opkrassen.

Meiden en dat eeuwige gegiechel, hij werd er knetter van.

Zijn vrienden waren niet in voor deze dingen en hij had gelezen dat je best met vier was.

Dus dit moest er maar bij.

Half augustus was het. De zomer strekte zich als een loom deken over de dagen en de nachten bleven heet. Donderdagavond, tien voor tien, de schemering was al gevallen en de buurman rookte zijn dagelijkse joint. De geur gleed als een trage spooksliert door de openstaande deur naar binnen. Zaterdagmiddag kwamen hun ouders terug.

Berre was zestien en driekwart en vond dat hij en Ebbe best wel alleen thuis konden blijven tot dan.

Ebbe was vijftien en een half en haar pubbergebleir nam vooral groteske proporties aan als papa er was. “Eén voorwaarde”, had hun mama gezegd, “Als ons huis een mesthoop is als we terugkeren, komt oma volgende keer logeren”.

“Ik loop wel met het mestvork achter Ebbe aan”, had Berre grappend geantwoord waarop zijn zus hem een klap op zijn zijn roodverbrandde schouder had gegeven.

 

Ze zaten onder de grote keukentafel met een donker gekleurd laken eroverheen.

In een grot met vier op de grond. Hij, Berre, Ebbe en haar vriendinnen Malou en Odine.

Tussen hen in een houten  krat met een glas ondersteboven erop, ernaast een brandende kaars. Elke ademzucht en giechel deed de vlam bewegen.

 

Ze hadden een lijstje opgesteld, met namen van geesten uit het verleden, mensen met wie ze wilden praten. Malou wou haar pas overleden oma maar Odine zei, “hallo, ze is een maand dood, je kon haar vorige maand nog gevraagd hebben wat je wou weten.”

Odine wou Madonna, dat vertelde volgens Ebbe veel over haar heldere brein.

“Die kan je via snapchat nog spreken schat”, had Ebbe gierend van het lachen gezegd.

Ebbe koos Salvador Dalì. Ze wou hem vragen hoe zijn gedachtenkronkels tot gesmolten klokken en paarden met benen als giga stelten kwamen.

Berre wou Gaudì, met kop en schouders boven alle andere op zijn lijstje.

Ze hadden deze zomer Barcelona bezocht en zijn fascinatie voor de visionaire architect die tegendraadse architectuur geschapen had, was groot.

Architect worden was Berres grote droom. Eind september begon hij aan zijn studies. Pas zeventien zou hij zijn omdat hij de derde kleuterklas bij juf Annabel overgesprongen had.

“Gaudì of Dalì, Spanje zal het zijn. Nu alleen nog tossen wie van de twee”. Berre gooide een muntstuk op. “Kop, we roepen Gaudì op.

“Die ken ik niet”, pruilde  Odine. “Een architect”, antwoordde Malou, hij tekende huizen zoals die van de Efteling”. Ebbe rolde met haar ogen. Haar vriendinnen, ze zag ze graag maar soms waren ze ook zo dwaas.

“Hij werkte aan een basiliek die nog steeds niet af is”, antwoordde Ebbe, “met wat geluk is hij klaar als hij 100 jaar overleden is”.

“In 2026”, was Berre de volgende te verwachten vraag voor.

“Serieus, die man is al meer dan negentig jaar dood, alsof een skelet dat niet meer aan elkaar hangt hier snel zal zijn”, snoof Odine.

“ Stop met dat gezeur, bekijk het gewoon spannend, als het lukt hebben we morgen nog een avond tijd om jouw oma te vragen of het heet was toen ze haar cremeerden.” Odine barstte in huilen uit, Ebbe gaf Malou een por, “jij hebt evenveel tact als een nijlpaard van anderhalve ton”.

“Hoe zit het”, Berre sloeg met zijn vuist tegen de onderkant van de tafel. De glazen en de halflege pizzadozen sprongen op en er sijpelde Cola Zero door het tafellaken naar beneden. De kaars siste uit. Berre gromde, “blijven of vertrekken, nu”.

 

De meisjes knikten, “blijven”.

Ebbe kroop van onder de tafel, sloot de deur en liet Fred hun Franse Bull buiten, zodat hij de boel niet kon verstoren. Berre stak de kaars opnieuw aan.

“Vinger op het glas, rustig worden, diep in en uit ademen”, als een volleerd geestenoproeper nam Berre de leiding. Hij ploos alles uit, tientallen youtube tutorials over geesten oproepen.

“Dierbare geesten uit het rijk der overledenen, wij zijn geen indringers, verstoren niet uw rust, wij willen graag een gesprek om wijzer te worden als mens met kennis uit het verleden.”

Malou barstte in lachen uit, “Berre, serieus, alsof jij plots de meest begaafde man met pas geschoten baardhaar op aarde bent.”

Berre deed alsof hij niets hoorde en ging verder.

“Dierbare geesten, staan jullie ons, aardse stervelingen toe, ons te bewegen in uw wereld? Geef ons een teken, in de kaars of in het glas.”

“Hatshoe”, Odine kneep met haar lippen een niesbui weg en schokte tegen het kratje. Het glas verschoof en de vlam danste. Berre kookte binnenin, Ebbe kende hem goed genoeg. “Komaan meisjes”, siste ze, “focus”.

“Wij komen met respect en zoeken contact.” Berre zat met gesloten ogen en concentreerde zich op de geestenwereld.

In de geladen stilte viel er rond de keukentafel plots een stoel om.

Een keukenkastje floepte open en een koude tochtstoot liet het doek over de tafel opwaaien. Malou en Odine sloegen in paniek, Berres ogen stonden groot, Ebbe huiverde.

Berre maande hen met het knipperen van zijn ogen aan om vol te houden.

Alle vingers op het glas, één zelfzeker en drie bibberende meisjesvingers, klam van avontuur dat eng aanvoelde. “Dierbare geesten, dankbaar om de toegang tot uw wereld, zou ik u willen vragen of het gepast zou zijn om meneer  Antoni Gaudì te spreken.”

Berre sprak alsof hij wekelijks voor de poort van de hiernamaals-geestenwereld stond.

In de keuken floepten de lichten aan en uit, de radio sprong aan en het brandalarm piepte zeven tonen.

“Ik wil niet meer”, Odine schreeuwde. Malou zei bleek van angst, “ik ga naar huis, nu”.

“Blijf”, zei Berre, “ We moeten met vier zijn”. “Kan me niet schelen”, gilde Odine, “ik doe niet meer mee met deze achterlijke spelletjes”. Ze kroop vanonder de tafel, zocht in het aan-  en uitflitsende licht haar schoenen en haastte zich naar buiten.

“Wacht, ik ga met je mee”, Malou volgde met haar slippers in haar hand.

“En nu?”, vroeg Ebbe die het licht uitknipte.

“We zijn begonnen, we moeten  verder”, Berre leek bezeten.

“Berre, ik ben bang. We zijn hier helemaal alleen, wat als het fout loopt? ”, Ebbes onderlip trilde. Mama zou hen nooit meer alleen thuis laten als ze hoorde wat ze aan het doen waren. “We moeten verder Ebbe, de geesten zijn gewekt, we moeten door, anders blijven ze dwalen. Een begonnen gesprek moet je voeren. Onderbreken is levensgevaarlijk.” Berre, niet van plan zich te laten stoppen door bange meisjes.

“Fred, Freddddddie”, Ebbe riep hun Franse Bull. Met hem dichtbij voelde ze zich veiliger.

De deur op slot, de hond bij hen onder de tafel, als een velletje troost aan Ebbes voeten.

“Klaar”, eerder een bevel van Berre dan een vraag. Ebbe knikte.

“Meneer Gaudì, bent u daar?”

Stilte, secondenlang en dan muziek van een grotesk kerkorgel.

Piepend metaal, een doffe knal en Spaanse woorden, allemaal stemmen door elkaar. Berres wangen gloeiden, het zou lukken, hij voelde het.

“Meneer Gaudì, dankjewel om de tijd voor ons te nemen deze nacht.”

Een kuch en een lach. “Tijd nemen. Hoe ironisch is dat. Ik heb al tweeënegentig jaar de tijd. De enige plek waar ik zou willen dat ze naar me luisteren, daar zijn ze oostindisch doof.”

Een stem, dat was vreemd, meestal spraken geesten door het glas te laten verschuiven, letter per letter tot een woord, een zin. Nu hoorden ze duidelijk een stem.

“Geliefd, verguisd, onbegrepen uitgehoond, opgescharreld, op een troon gezet, mijn Barcelona als bedevaartsoord en een basiliek die niet klaar raakt om nog maar te zwijgen of ze er binnenin uitziet zoals ik in gedachten had en nu wil u mij spreken?”

Zoveel woorden, een krakende oude mannenstem.

Fred, hun hond braakte de woorden uit als te snel opgeslokte brokken. Een wazige rook rond hem alsof hij bovenop een vuurtje wierrook zat.

“Fred, Fredje”, Ebbe pakte zijn blubberende wangen vast.

“Excuseer juffrouw, ik wil niet aangeraakt worden door vrouwenhanden. Ik verkoos heel lang geleden het celibaat toen de enige vrouw die ik liefhad door mijn veel te lange talmen haar hart verpandde aan een ander. Pepeta was haar naam.”

Ebbe was al flauw gevallen toen Gaudì zijn discours verder zette vanonder de trillende bulldogwangen.

“Ik verkies nog steeds de spirituele bedevaart die leidt tot God, geen verderfelijke vlezelijke lusten.” Berre schraapte zijn keel. De geest van een groot mystiek architect zat in het lichaam van hun hond en zijn zus lag naast hem bewusteloos op de grond.

“Encantada senor Gaudì, wat een eer u nogmaals te ontmoeten”. Ebbes lippen bewogen.

Een andere mannenstem, haar twee staarten schoten omhoog als twee rechte lijnen met omhoogstaande kromme punten achter haar hoofd. Berre zag er een snor in.

“Senor Dalì, aangenaam”. De lippen van Fred bewogen alsof het de normaalste zaak van de wereld was. “Ik heb u altijd al willen bedanken voor uw vernietigende artikel amper een paar jaar na mijn dood. Tapas kunst, zo noemde u mijn kunst en daarmee zorgde u ervoor dat een generatie Catalanen mijn werk verguisde”.

“Ik stelde vast”, antwoordde Dalì door de lippen van Ebbe. Een zweem van rook gloeide uit haar oren. “Ik gaf weer en lichtte toe, het werk van een der laatste dwaze Romantici.

Exentriek zou ik u niet durven noemen, want dan exposeren we in dezelfde galerij”.

 Een bulderlach klonk door de keuken, de staarten van Ebbe dansten als een snor die meedeint op een lach.

Berre gloeide, zijn hoofd voelde alsof het uit elkaar kon spatten.

“In alle eerlijkheid verkies ik mijn drakenrug op Casa Batllò boven jouw paarden op steltenbenen. Ik durf te zeggen dat perfectie haalbaar is, maar jij verdedigt het principe van de teugels vieren. Maar laten we vooral geen vetes uitvechten, ik verlaag me niet tot uw niveau. Het doel waarnaar ik streef ligt hogerop en gaat niet over gesmolten tijd in klokken.” Fred de hond snoof en braakte de woorden naar Berre toe.

“Jongeman u had een vraag voor mij, ik, een nederige onderdaan van Gods hoger werk.”

Ebbe’s mond trilde, “Gods werk, man, denk je nu echt dat jij verheven bent boven alle Spanjaarden als uitverkorene van één of andere orde? Jij was gewoon een architect  die anders dacht dan tijdgenoten, geobsedeerd door een pompeus werk dat veel te groots geworden was voor jou. Je waande je God zelf met je pathetische gedoe, wonend in de catacomben omdat je bouwsel je opslokte en tot een zwerver maakte. Door toedoen van bezeten geldsprokkelaars bouwt men nu nog steeds verder aan jouw Sagrada boetekerk. Jouw plannen tot as herleidt door Franco branden, geen enkele lijn komt verder uit jouw pen. Jij, voor eeuwig begraven onder je torens nadat je door een idioot principe van jezelf het loodje legde. Barcelona amper levend uitgedragen als een stuk vuil, liever kwijt dan rijk. In een ziekenhuis voor arme luizen gestorven als een rat”.

Ebbe snoof als een echte dandy, haar ogen nog steeds dicht. Fred, de bulldog sprong recht, rook kringelde vanonder zijn dikke platte lippen, zijn ogen vlamden vuur. Berre zat als aan de grond genageld, zijn slapen beukten alsof ze elk moment  zouden open spatten. Fred, alias Gaudì en Ebbe alias Dalì stomend bij elkaar.

“Toen ik Barcelona terug binnen gedragen werd, stonden de straten vijf mensenrijen dik, In de crypte zongen hemelse stemmen Libera Me, een volmaakt einde van een leven gedragen door creativiteit en aanbidding, vervulling van Gods werk”, de hond liet zijn tanden zien.

“Religiositeit is het dagelijkse brood der dwazen.” Dalì sprak dedain door de lippen van Ebbe. Berre, verdoofd door intense concentratie, zag de woede niet tussen de twee.

Fred, hun hond, beet in de wang van Ebbe, vier tandensporen bloed. Ebbe kwam gillend van pijn bij.  Een sliert van rook viel naar benenden, haar staarten stijl zoals altijd.

Fred jammerde, plaste stinkend warm en braakte zijn laatste maaltijd over Ebbe uit.

Een kringelende nevel trok een spoor vanuit zijn neus en gleed gloeiend naar Berres oor.

De stem, krakend en stil, onhoorbaar haast,

“Nooit knijpen op je potlood als je tekent, alleen zo volgt je hand je innerlijke stem”.

 

 

mariet de kegel

augustus 2018